EEM Groepenkasten

Column: OEH-HOE

Gerwin Groote Klazienaveen

Grote broer zijn heeft vaak nadelen. Vooral als je de broer bent van een tweeling. Dat betekent dat je altijd in de minderheid bent. Vier vuisten die op je inslaan bij een ruzie of stoeipartij. En 2 monden die dezelfde woorden spreken in een discussie. Nooit van te winnen. Maar soms heeft het ook voordelen. Als je ze individueel kunt pakken. Daar maak ik graag gebruik van.
Het was een doordeweekse middag, ik zat rustig aan de keukentafel met een kop thee. De achterdeur sloeg open. Mijn broertje. “Ik mot joe nou iets verteln, dit is echt nie veur te lachn..” Ik gebaar hem rustig te doen, loop naar de waterkoker en pak voor hem ook een kopje thee, zet het kopje voor hem neer en ben even onder de indruk van zijn blik. Want aan zijn houding en blik te zien was er ook daadwerkelijk iets gebeurt, anders zou hij niet zo raar binnen komen. Ik ken hem anders. Opgewekt en energiek.

Met een luisterend oor naar zijn kant gericht vraag ik: “Wat is er gebeurt?”
Hij neemt rustig een slokje van zijn thee terwijl ik zie dat hij de gebeurtenis weer voor de geest aan het halen is.
Dan kijkt hij me aan met ogen als die van Bambi als ze ziet dat haar moeder gedood wordt:

“Gerwin, wij, Tinus en ik, wij zit’n vanmorg’n in de bus noar de bouw toe. We ried’n op de weg noar Westerbork en iniens zie ik midd’n op de weg een Baby-uulegie lign.”

Ik kijk met een meewarige blik. “ochjee”, stamel ik.

“Ja man, hartstikke zielug. Dus ik denk; we moet’n stopp’n. Dus wie de bus aan de kaant’n. Hartstikke gevoarlijk eigenlijk, moar ie kun’n zo’n beesie door ok nie loat’n ligg’n, toch?”

“Nee” antwoord ik. Er van uitgaande dat dat beest al 30 keer overreden was en er alleen nog spetters bloed, botten en ingewonden lagen.

“Dus wij loop’n die kaant’n op en wat bliekt? Dat beessie leefde nog joh! Die zat mie met van die grote oog’n aan te kiek’n alsof ‘e zegg’n wol van: ‘Help mie dan, help mie dan!’ “

“Och nee!” Antwoord ik vol medelijden. Mijn snelle oordeel over de situatie was dus niet waar. Mijn broertje had daadwerkelijk een heldendaad verricht. Hij was gestopt voor een dier in nood. Ik wou dat ik dat durfde. “Was ie niet agressief?” vraag ik.

“Ja joh!” antwoord hij. “Elke keer as wie dichtbij wol’n kom’n leek ’t weh alsof hij van zich af wol hap’n!”

“En toen?” vraag ik snel. Opgaande in zijn belevenis. Ik wil horen van de reddingsactie.
“Moar ik dacht; ik ben nie gek.” verteld hij snel verder. “Ik heb achter in de busse een schop stoan, die pak ik en dan duw ik ‘m met de schop zo van de stroat af.”

Supergoed idee vind ik. Dat had ik zelf ook gedaan, hoewel ik nooit een schep achter in mijn auto heb. Maar dat terzijde.

“Dus wij noar de bus toe loop’n. Schoppe pakt. En weer terug. Kom’n we bij t beesie aan, ik stoot ’s teegn dat liefie aan, en verdomd joh, die begunt te beweegn. Ik denk: ‘Dit zit goed’ dus ik geef m een flinke duw.”

“En toen!?” ik houd het niet meer.
“Nou ja. Hij stun op en begon te fladder’n. Hij begon in de lucht te komm’n. Hij kon nog vlieg’n!”

“Gelukkig” antwoord ik met een zucht. Wat fijn. Hij was dus niet ernstig gewond.

“Nee” beaamt mijn broertje. “Hij was niet ernstig gewond. Hij vleug zo in de lucht. En toen kwam dr van de andere kaante een auto. Ik dee nog zo van: ‘pas op, dr vlug doar een baby uiltje’ moar die auto hef ‘m hartstikke dood jaagt.”

Ik verslik me in mijn thee en spuug proestend en hoestend de slok uit over tafel.
“Wat!?” vraag ik geschrokken.
“Joah… echt woar!” Zijn gezicht trekt wit weg, zijn ogen staan op huilen.
“Echt woar Gerwin, ik zag hoe hij dood joagt wurd.”

“Potverdomme” antwoord ik vol medelijden.
Dan veranderd mijn blik. Ik kijk mijn broertje recht in zijn ogen.
“Als jij niet met die schep tegen hem aan had gestoten, was hij waarschijnlijk uit zichzelf wel opgestaan en gewoon rustig weggevlogen. Je bent een Baby-uilen moordenaar.”

Mijn broertje kijkt boos en vol onbegrip.
Ik drink rustig verder van mijn thee.

“Dit vin ik ech nie leuk!” Zegt hij nog.
“Nee, dat dacht dat baby-uiltje vast ook, vlak voor hij tegen die auto vloog” voeg ik er nog snel aan toe…

Kijk, het heeft wel voordelen om de oudere Broer te zijn. Je mag af en toe keihard op het tere-jonge-broertjes-zieltje gaan staan.

En dat voelt goed. Heel goed.

Gerwin Groote