EEM Groepenkasten

Evert ten Napel: “Klazienaveen is thuiskomen”

evert ten napel klazienaveenAls hij stopt met werken wordt hij een oude chagrijn, voorspelt hij een jaar of wat geleden. Niets is minder waar. Gepensioneerd sportcommentator Evert ten Napel, geboren en getogen in Klazienaveen, is nog altijd bezig en blij.

Onder een parasol op een zonovergoten terras in het centrum van Klazienaveen is Evert ten Napel, 72 inmiddels, in zijn element. Korte broek, poloshirtje, een lach op z’n gezicht. Ondanks de hoge temperatuur heerst er bedrijvigheid in het dorp. Ten Napel ziet het met genoegen aan. “Dit is thuiskomen. Daar woont mijn ene zus en daar mijn andere. En mijn broer woont iets verderop.”

Hij en zijn vrouw Fien wonen al jaren in Ermelo, dorp op de Veluwe. Het is een bewuste keus op te schuiven richting het Westen. “Toen duidelijk werd dat mijn toekomst in Hilversum lag, zijn we eens gaan rondkijken. We hebben heel nadrukkelijk niet voor de Gooise Matras gekozen. We wilden naar het midden van het land, maar nog wel aan de ‘goede kant’.”

De juiste stek vinden ze in Ermelo, te midden van bos en heide. Ten Napel voelt zich er thuis. “Het Veluws dialect lijkt wel op het Drents. En ik vind er echte rust. Ik kan uren kijken naar de hei, de schapen, ja, naar het niets.”

In de tv-wereld, die zich kenmerkt door hollen of stilstaan, pakt Ten Napel zijn rustmomenten. “Als ik bij een Champions League-wedstrijd van Real Madrid was geweest, nam ik de volgende ochtend vroeg altijd de eerste vlucht naar huis. Dan was ik om 11 uur thuis en sprong ik direct op de fiets. Bij een mooi plekje stopte ik en kon ik uren zitten turen. Het ene moment zit je nog in het met 80.000 man gevulde, kolkende Stadion Bernabéu en het andere moment is er de stilte. En dan moest ik aan mijn vader denken. Die zei altijd: ‘Jongen, het zijn maar 22 jongens in een korte broek die allemaal achter de bal aan rennen en slechts één van hen heeft de bal’. En dan zei ik op mijn beurt: ‘Ja papa, maar voetbal is wel de belangrijkste bijzaak’. En dan begrepen we elkaar.”

Kanaal

Het horecabedrijf, waartoe het terras behoort, is nieuw. Zo oogt het ook, in elk geval aan de buitenkant. “Dit is een historische plek’’, zegt Evert ten Napel, terwijl zijn ogen en wenkbrauwen de verslaggever uitnodigen de vraag te stellen: hoezo? Aldus geschiedt. “Op deze plek liep vroeger het kanaal. Het Van Echtenskanaal. Ik zie de schepen nog langs varen. Vanuit de veengebieden brachten ze hun lading naar de Purit-fabriek. Gingen ze daar linksaf het Scholtenskanaal op, het laatste stukje naar de fabriek.”

Hij kijkt nog eens goed in de verte, het dorp uit. Een lichte zucht: “Dit had eigenlijk gewoon kanaal moeten blijven. Niet dempen, maar openhouden. Prachtig zo’n waterpartij in het dorp. Natuurlijk, er is nog een stukje bewaard gebleven, maar het is niet die doorgaande vaarroute, die dwars door het dorp liep. Dat is jammer. In meerdere opzichten. Hadden al die rijke mensen, die met hun bootje naar Duitsland varen, kunnen aanmeren in het centrum van Klazienaveen. Goed voor de middenstand, goed voor de horeca.”

Ook voor hem, als kind, is het kanaal een levensader. Zwemmen, vissen en ‘s winters schaatsen. “Toen hadden we nog echte winters. Konden we elk jaar schaatsen. Dat leerden we van de schippers. Die konden geweldig schaatsen. Op de schaats naar Erica en ook wel naar Duitsland. Gingen we clandestien de grens over. ‘We krijgen jullie wel’, riepen de grenswachters ons na. Gingen we gewoon via Rütenbrock weer terug.”

“We zwommen ook in het kanaal, want er was hier geen zwembad. Zwemmen leerden we zomers van de oudere jongens in het dorp. Die trokken je aan de haren omhoog als je kopje onder ging. Zou ze nu niet meer lukken”, lacht hij en haalt zijn hand ter illustratie over zijn kortgeschoren en dunbehaarde hoofd.

Bakkerij

Evert ten Napel heeft zijn plek op het terras, al dan niet bewust, strategisch gekozen. Hij is iets eerder dan de afgesproken tijd aanwezig en heeft de plek dus voor het uitkiezen. Hij kiest niet alleen voor voldoende schaduw, de zon brandt deze dag echt heel hard, maar ook voor een direct zicht op de bakkerij. Bakkerij Ten Napel, op de hoek Van Echtenstraat-Langestraat. De plek waar hij is geboren en getogen. De plek waar hij, als hij zijn leven niet zelf een andere wending had gegeven, misschien nog wel zou wonen.

Opa Ten Napel, die ook Evert heet, strijkt ruim honderd jaar geleden vanuit het Overijsselse Vollenhove neer in Klazienaveen. Hij wil bakker worden. In de armoedige veenkolonie is geen droog brood te verdienen, geven criticasters hem mee. Hij gaat toch. Kop d’r veur. Vader Hendrik neemt de bakkerij over. Evert en zijn broer Jan zijn de beoogde opvolgers. Evert kiest voor de journalistiek, Jan voor de bakkerij.

Het bedrijf groeit. Er komen ook vestigingen in Emmen en Nieuw-Amsterdam. Precies twee jaar geleden komt er een einde aan de ‘dynastie’. De kinderen van Jan kiezen een ander pad. De naam Ten Napel blijft op de gevel, maar het brood en banket worden voortaan gebakken door Van Veenen.

“Ik heb de bakkerij zien worden tot wat die nu is. En dat is mooi. Voor de verkoop heb ik een goed gesprek gehad met mijn broer. Hij werd 65 en had geen opvolging. Van Veenen had een bod gedaan. ‘Vind je het erg’, vroeg hij. ‘Nee’, antwoordde ik, ik begrijp het. Het is een zwaar vak. Fysiek niet meer zo zwaar als vroeger. Mijn vader stond om vier uur op en ‘s avonds om negen uur zagen we hem weer. Dan ging hij de krant lezen. Na vijf minuten sliep hij. Viel zijn pijp uit zijn mond.”

Kattenkwaad

Met ogen, die veel plezier verraden, kijkt Ten Napel terug op zijn jeugd in de bakkerij, in Klazienaveen. “’s Morgens om kwart voor twaalf ging de school uit en dan stond mijn moeder ons al op te wachten met de karabiezen, de broodmanden. We moesten dan naar de dokter en de directeur van de Purit. Die kregen klokslag twaalf uur vers brood aan huis. Maar ja, wij waren kinderen en vergaten het ook wel eens. Waren we druk met knikkeren. Dan riep mijn moeder: ‘Waar bleven jullie nou? De vrouw van de directeur heeft al drie keer gebeld’.”

Ondeugd, de gebroeders Ten Napel en hun vriendjes zijn er niet vies van. “We speelden vaak in het veen. Haalden er ook kattenkwaad uit. Opgestapelde turven, die lagen te drogen, omgooien. Dat soort werk. Vuurtje stoken. Eén keer liep dat behoorlijk uit de hand. We dachten dat we het vuurtje keurig hadden geblust, maar er bestaat ook zoiets als veenbrand. Die smeult ondergronds verder. Wisten wij veel. De brandweer heeft er de handen aan vol gehad om onze veenbrand te bestrijden.”

Maar er moet ook worden gewerkt. De jonge Evert leert al snel dat voor niets alleen de zon opgaat. “De ovens in de bakkerij werden ook op turf gestookt. Het Van Echtenskanaal liep voor ons huis langs. Eens in de zoveel tijd meerde zo’n veenbok, zoals wij de turfschepen noemden, voor de deur aan. Boordevol turf. En dat schip moest leeg. Dan trommelden we alle kinderen uit de buurt op. Allemaal met een kruiwagen naar de veenbok en dan maar stapelen. Het mooie is dat mijn opa op een stoel achter een tafeltje plaatsnam met voor hem een schrift. Wij moesten zelf tellen hoeveel turven we in de kruiwagen vervoerden. In het voorbijgaan riepen we naar mijn opa het aantal turven. Hij schreef alles op. En dan kwam het moment dat het schip leeg was en hij de grote optelsom ging maken. ‘Ik kom er zestig tekort’, zei hij. Die werden dan ‘s avonds alsnog gebracht met een vrachtautootje.”

Zonnedauw

De jonge Evert en zijn vriendjes trekken niet alleen voor kattenkwaad het veen in. Er worden ook zaken gedaan. Goede zaken. “Wij plukten zomers zonnedauw, die voor medicinale toepassingen werd gebruikt. Dat leverde 10 gulden per pond op. Wat een geld! Tsjóngjónge, dan waren we rijk.”

Niet alleen de heren van stand krijgen hun brood aan huis bezorgd. Bakkers trekken ook met bakfietsen het veld in om brood te venten. Naar de gezinnen van de veenarbeiders. Hij ziet de bittere armoede van dichtbij. “Dat waren grote gezinnen, die wel vier broden per dag nodig hadden om alle monden te voeden. Ze kregen grijs brood, ‘n grieze, ook wel regeringsbrood genoemd. Daar zat van rijkswege een soort subsidie op. Kostte een kwartje per brood. Aan het einde van de week moest er dan 6,50 gulden worden afgerekend, maar er was maar 5 gulden. Die mensen hadden niet meer. Ik heb het boekje, waarin opa alle tekorten noteerde, later nog eens gevonden en bekeken. Als ik al dat geld nog eens zou incasseren, nou, dan zou ik een fiks bedrag kunnen bijschrijven.”

Concurrentie

Ten Napel is niet de enige bakker in Klazienaveen. Zoals in veel Drentse dorpen in die tijd zijn er zelfs veel kleine bakkerijen. De concurrentie is navenant. ,,Dan riep mijn vader: ‘Jongens, er ligt een schip in de sluis. Ga er snel heen, want misschien willen ze wel brood kopen’. Tegen de tijd dat wij er waren, waren andere bakkers ons al lang voor geweest. Dat had dus niet zoveel zin en na een paar keer ren je niet meer zo hard.’’

Ten Napel leeft zijn leven in de bakkerij. Tevreden? Niet helemaal. Er knaagt iets aan hem. Hij heeft een droom: radioverslaggever worden. Bij de toenmalige Emmer Courant zet hij zijn eerste schreden op het journalistieke pad. Vijf jaar later gaat zijn droom in vervulling: hij wordt radioverslaggever bij de Tros. Hij valt op in ‘Hilversum’. Zeven jaar later maakt hij de overstap naar de NOS waar hij sportcommentator wordt bij Studio Sport. Hij werkt er van 1982 tot zijn pensionering in 2009.

“Ik wilde wat anders dan werken in de bakkerij. Verslaggever bij de radio, maar hoe doe je dat als boertje uit Klazienaveen? Bij ons thuis werd niet echt plat Drents gesproken, meer iets er tussenin, maar wel duidelijk hoorbaar. Ik heb daarom een jaar lang logopedielessen gevolgd in Emmen. Het is nog altijd te horen, maar dat geeft niet. Als je iets wilt, moet je er vol voor gaan. In mijn tijd waren ze al milder dan in de jaren vijftig, toen iedereen bij de omroepen Hooghaarlems moest spreken. Het zuivere Nederlands. Felix Meurders, een generatiegenoot, komt uit Limburg. En dat is nog steeds te horen, maar het mag. Gelukkig wel.”

evert ten napel klazienaveen

Motorrijden en Tour de France

Evert ten Napel is een verwoed motorrijder. Raakt besmet met het virus in de Tour de France. Als verslaggever zit hij soms achterop. Die taak is normaal gesproken weggelegd voor de legendarische Theo Koomen. “Hij wist dat ik het prachtig vond om op die manier de koers te volgen. Als het dan slecht weer was, zei hij: ‘Jij wilt toch zo graag?’ Ik liet me niet kennen. Deed het waterdichte pak aan en stapte achterop. Zo’n kans liet ik mij niet ontnemen. Zeker niet door een beetje regen.”

Pas veel later haalt hij zijn motorrijbewijs. “Samen met een goede vriend. In één keer geslaagd? Natuurlijk! Zakken was ons de eer te na.” De jaren zonder motorrijbewijs maakt hij ruimschoots goed. “Lange tochten gemaakt door Amerika, Canada en Zuid-Afrika. Mijn mooiste tocht was van Windhoek via Namibië naar Kaapstad. Ge-wel-dig. Wat een avontuur.”

Tegenwoordig rijdt hij een BMW GS800 Adventure. Een zogeheten allroader, geschikt voor elke ondergrond. “In het begin had ik vooral Japanners. Ik stapte over op een 1200 cc BMW omdat die was uitgerust met ABS, het antiblokkeersysteem. Een stukje veiliger. Nu rijd ik een lichtere 800 cc versie. Nee, niet omdat de jaren gaan tellen. Gewoon een stuk lichter qua gewicht en veel wendbaarder.”

Als het maar even kan, zit hij op de motor. Niet alleen om te ontspannen, ook voor dagelijks gebruik. “Motorrijden is vrijheid, de geur van de omgeving opsnuiven. In een auto ruik je niets, op de motor alles. Ook de stront die boeren uitrijden op hun land. Mijn zoon rijdt ook. Laatst heb ik nog een vader en zoon-rit georganiseerd voor vrienden. Het was vreselijk weer, maar het gaf me een heel apart gevoel. Samen dingen doen met je zoon. Echt leuk.”

Evert ten Napel doet eigenlijk alleen nog maar wat hij leuk vindt. En daar heeft hij het knap druk mee. Geregeld wordt er een beroep gedaan op zijn bekende stemgeluid, voor het inspreken van teksten bij videoproducties. Hij heeft een gesproken column en schuift elke week aan bij het Mediaforum op Radio 1. Stof genoeg, zeker in een drukke sportzomer als deze. En hij heeft zijn oude hobby van vóór de sportjournalistiek weer opgepakt: scheidsrechteren.

Scheidsrechter

En zo kan het gebeuren dat hij Putten 2-DVS fluit in het tenue van de bekendste scheidsrechter van Nederlandse bodem, Björn Kuipers. “Alle scheidsrechters in het betaalde voetbal weten dat ik ook fluit.” Lachend: “Daarom accepteren ze mijn kritiek. Ik kom die mannen wel eens tegen en dan krijg ik soms een outfit, die ze bij een belangrijke wedstrijd hebben gedragen. Inclusief de officiële emblemen? Wat denk je? Zo ijdel ben ik natuurlijk wel.”

Waar was jij in ’88?

Met oud-keeper Hans van Breukelen maakt hij dit jaar, het jaar van het EK voetbal in Frankrijk, een theatertoer. ‘Waar was jij in ‘88?’ heet hun programma. In dat jaar wint Nederland het EK. In de finale in München verslaat het Rusland met 2-0. “Wie had dat gedacht. Twee jongens van het platteland samen in het theater. We zouden de toer eindigen in het DeLaMar in Amsterdam. Dat zat me niet lekker. Wilde ook iets doen voor Ermelo en Klazienaveen. Daarom twee extra voorstellingen eraan geplakt. De laatste in Emmen. Ik wilde eigenlijk naar de Muzeval. Daar vierden Fien en ik ons trouwfeest en hebben we samen het laatste concert van Daniël Lohues bijgewoond. Een bijzondere plek, maar de Muzeval bestaat niet meer. En dus zijn we uitgeweken naar het gloednieuwe Atlas Theater. We begonnen de voorstelling al om half zeven, zodat de mensen ‘s avonds de finale van het EK, Frankrijk-Portugal, in het theater konden kijken.”

Hij komt nog geregeld in Klazienaveen, al is het niet meer zo vaak als toen zijn moeder nog leefde. “Ik moeten zeggen: zolang we hier op het terras zitten, heb ik nog geen bekende gezien. Ik kom nu op een leeftijd, dat er steeds minder bekenden overblijven. Mijn broer stuurt me dan een berichtje: die en die is overleden. Soms ga ik naar de begrafenis, meestal stuur ik een briefje. Van de oude garde ken ik betrekkelijk veel mensen, maar ik weet niet van iedereen de naam meer. Ben ik niet goed in. Ik moet bekennen dat ik hier in Klazienaveen wel eens mijn hoofd naar een etalage wend als ik in de verte een bekend gezicht zie van wie ik de naam niet meer weet. Daar schaam ik me voor. Tegelijkertijd ben ik bang dat mensen mij dit ontwijkende gedrag kwalijk nemen.”

Hoewel gepensioneerd zit Evert ten Napel bepaald niet stil. Met zijn vrouw Fien naar de kunstmarkt in Oosterhesselen, in een studio net over de grens in Meppen een tekst inspreken, tussendoor een interview met deze krant, lekkernijen kopen bij bakkerij Ten Napel en ‘s avonds bij familie langs. En dat op één dag. Het past precies. “Ik kan geweldig genieten van stilzitten en niets doen. Alleen kom ik er zo weinig aan toe.”

(Een artikel uit het Dagblad van het Noorden /dvhn.nl)