EEM Groepenkasten

Het Verdwenen Dorp – Door Jans Jagt (deel 1)

Kanaalgravers Klazienaveen Zuidoost Drenthe‘Het Verdwenen Dorp’, een spannend tweedelig verhaal, geschreven door Jans Jagt. Vandaag deel 1, morgen deel 2.

Waar de oorsprong van het volgende verhaal ligt, is niet meer te achterhalen. Feit is wel dat het door de bewoners van de eerste plaggenhutjes in het Meerstalblok werd verteld tijdens de lange winteravonden.

Lang voordat noeste kanaalgravers een begin hadden gemaakt met het graven van het kanaal van Hoogeveen naar Zwartemeer, lag er ter hoogte van het moerasmeer Swartemeer een klein dorp. Dwars door het dorp liep een smal veenpad. Reizigers tussen Coevorden en Roswinkel maakten wel eens gebruik van dit pad. Toch werd het meestal vermeden. Niet ten onrechte trouwens. De ruige bewoners van het dorp waren berucht vanwege de brute overvallen op de reizigers. Geruchten deden de ronde dat er ook vreemdelingen werden dood geknuppeld. Ook moesten ze soms werken voor de dorpsbewoners. Het dorp bestond uit een twintigtal lemen woningen. Op zich was dat al bijzonder. Van geen enkel ander dorp in de buurt was bekend dat daar leem werd gebruikt om er huizen van te bouwen. Het materiaal hiervoor werd uit een paar dieper gelegen leemputten gehaald.

Bij soldaat Leen Koperheer was van dit alles niet bekend. Sinds hij ruim een maand geleden uit handen van het vijandelijke leger was ontsnapt had hij rondgezworven over het Bourtanger Moor. Een enkele keer dacht hij dat de vijand hem volgde, maar nu hij in deze bijna ontoegankelijke moerasgebieden was terecht gekomen, waande hij zich veilig. Hij moest zijn ogen hier trouwens goed gebruiken, want een moment van onoplettendheid kon fataal zijn. Hij kon hier gemakkelijk wegzakken in het verraderlijke moeras. Dat zou zijn dood betekenen. Hulp kon hij hier van niemand verwachten. Nee, hij was alleen op zichzelf aangewezen om het moeras over te steken en zich weer aan te kunnen sluiten bij zijn compagnie in fort Roswinkel. Twee keer had hij de afgelopen dagen geluk gehad toen hij zich nog net kon vastgrijpen aan een overhangende tak. Anders had het moeras nu al bezit van hem genomen.

Al een paar uur had het geregend. In de verte trokken onweersbuien voorbij. Nat en doorweekt zat hij nu tegen een boom. Om te rusten. Ook honger en slaap hadden hem uitgeput. De bessen en bramen die hij onderweg had gevonden, waren bij lange niet voldoende om hem op de been te houden.

Hoe lang Leen geslapen had kon hij zich niet herinneren, maar plotseling werd hij wakker door geluiden die hier niet thuishoorden. Geluiden die door de wind werd meegedragen.
Het waren flarden, maar toch……
Het leken menselijke geluiden…..
Geluiden van spelende kinderen….
Hij moest zich vergissen.
Nee……daar hoorde hij het weer.

Langzaam richtte hij zich op. Met zijn gezicht tegen de wind gekeerd probeerde hij nogmaals de geluiden op te vangen die hem in verwarring hadden gebracht.
Ja, daar was het weer…….
Hoopvol vervolgde Leen zijn weg. Tot zijn eigen stomme verbazing liep al enige tijd op een oud veenpad. Zou er in dit bijna ontoegankelijke moerasgebied toch een dorp zijn, waar hij onderdak kon vinden.? Het leek hem bijna onwaarschijnlijk. Toch zag Leen na een kwartiertje een paar schamele huisjes. Hij kon zijn geluk niet op. Het leek hem verstandig sneller te gaan lopen, want donkere wolken naderden nu heel snel.

In een flits zag hij een paar wild uitziende kerels uit de struiken naast de veenpad te voorschijn komen. Vaag voelde hij nog de pijn van de eerste slag van een knuppel. Daarna werd alles zwart. Leen was zeker doodgeknuppeld, wanneer de donkere wolken boven het dorp niet tot ontlading waren gekomen. De woeste kerels vluchtten hun huizen in. Zwaar toegetakeld lieten ze hem maar liggen om op een later tijdstip verder te gaan met hun gruwelijkheden. Er was nu al geen plekje aan het lichaam van Leen te vinden dat nog niet geraakt was.

Het bloed spoelde van zijn rug. Het donderde nu onophoudelijk. De hemel leek te zijn open gebarsten. Langzaam kwam Leen weer bij en vanuit zijn opgezwollen oogkassen zag hij een meisje op hem afkomen. Haar blonde haren vallen in natte slierten langs haar mooie gezicht. Ze leek geen spoortje van angst te hebben voor het donderend onweersgeweld. Ze bukte zich en pakte Leen onder zijn beide armen en sleepte hem naar een verderop gelegen schuurtje dat waarschijnlijk in de winter dienst deed als veestal, maar nu leeg was. De achtergelaten sporen waren alweer uitgewist door de stortregen. Ze verstopte Leen achter een ruim uitgevallen voerbak en bedekte hem met stro. Daarna maakte ze zich snel uit de voeten.

De onweersbui verdween en dat deed ook de dorpelingen weer tevoorschijn komen. Vaag hoorde Leen aan de opgewonden stemmen dat ze hem zochten.

(Einde deel 1, morgen het 2e en laatste deel)

‘Het Verdwenen Dorp’- Jans Jagtjans jagt boek lopen naar de horizon